diagnostiek

Observatie en diagnostiek; een observatiechecklist

In de Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s) worden de jongeren die binnenkomen, gescreend op psychische problemen. Hierdoor kunnen acute problemen, zoals suïcidale gedachten, snel worden aangepakt. De bestaande screening geeft veel informatie, maar is ook eenzijdig omdat het gaat om vragenlijsten die de jongere zelf invullen. Bovendien wil of kan niet elke jongere de lijsten goed invullen. Groepsleiders zien deze jongeren dagelijks. Hun observaties werden nog niet systematisch meegenomen bij de diagnostiek van problemen van deze jongeren

De AWFZJ ontwikkelde daarom in samenwerking met de professionals uit JJI’s een aanvullende non-verbale methode voor screening en diagnostiek van psychische problemen bij forensische jongeren. Deze methode bestaat uit een observatiechecklist voor groepsleiders, met een bijbehorend trainingspakket en een digitale applicatie.

Daartoe is gestart met de inventarisatie van belangrijke factoren voor recidive. Vervolgens is gekeken welke van deze factoren te observeren zijn ‘op de groep’ en dus bruikbaar zijn voor de checklist. Aan behandelaars is gevraagd welke informatie zij in de huidige werkwijze missen om een goede diagnose te kunnen stellen. Daarna werd aan groepsleiders gevraagd of zij deze informatie op basis van hun observaties kunnen aanleveren en of dit voor hen ‘te doen’ zou zijn.

De zes overgebleven kenmerken die gescoord worden zijn: proactieve (of geplande) agressie, reactieve (of ongeplande, impulsieve) agressie, gebrek aan wederkerigheid in contact, impulsiviteit, hyperactiviteit en neerslachtigheid. Op leefgroepen in de forensische residentiële jeugdzorg vullen de groepsleiders twee keer per dag de checklist in voor elke jongere op de groep. De scores worden per jongere vastgelegd in een grafiek. De observaties worden niet alleen gebruikt voor de diagnostiek, maar ook voor de bejegening van de jongeren.

Momenteel wordt de observatiechecklist gebruikt op de twee instroomgroepen van JJI Lelystad (onderdeel van Intermetzo) en FC Teylingereind, alsook de observatiegroep van FC Teylingereind. Zodra de onderzoeksresultaten medio 2017 beschikbaar komen, wordt de observatiechecklist ook aan andere instellingen aangeboden. De JJI’s, jeugdzorgplusinstellingen en de Vlaamse tegenhanger van een JJI (Gemeenschapsinstellingen voor Bijzondere Jeugdbijstand) hebben al  belangstelling geuit. Verder zou deze checklist ook voor de residentiele jeugdzorg en bijvoorbeeld het Pieter Baan Centrum interessant kunnen zijn. Als het onderzoek wordt afgerond, worden deze mogelijkheden voor verspreiding verder geïnventariseerd. Met dit vooruitzicht is er een reeks aanbevelingen opgesteld waar geïnteresseerde instellingen rekening mee kunnen houden bij het implementeren van de observatiechecklist. Een beleidsdocument waarin FC Teylingereind het gebruik van de observatiemethode borgt is in voorbereiding.

 

Opleidingen

Alle groepsleiders die met de observatiechecklist werken, werden gedurende een tweedaagse training opgeleid. Verschillende opfristrainingen vonden sindsdien plaats. De getrainde groepsleiders of gedragswetenschappers trainen nieuwe personeelsleden (train-de-trainer-methode) en de praktijkinstellingen dragen hier sinds enige tijd zelf de verantwoordelijkheid voor. Voor het gebruik van de observatiechecklist werd een handleiding geschreven met bijhorende trainingsmateriaal (waaronder videofragmenten). De observatiemethode (handleiding, de videofragmenten en het overige trainingsmateriaal) is opgenomen in een onderwijsprogramma van de Hogeschool Leiden in het kader van de minor ‘werken in gedwongen kader’. Deze worden ook gebruikt bij gastcolleges aan de andere deelnemende hogeschool waar groepsleiders worden opgeleid (Windesheim Flevoland). Dit alles draagt bij tot het vergroten van de deskundigheid van groepsleiders.

 

Onderzoek

In het kader van onderzoek naar de checklist wordt eind 2017 een vijftal studies afgerond. Als eerste is een literatuurstudie gedaan naar mogelijkheden om op een gestructureerde manier probleemgedrag te observeren (met een goede interbeoordelaarsbetrouwbaarheid). Deze studie wordt momenteel herwerkt voor een internationaal tijdschrift. In een tweede studie wordt de ontwikkeling van de observatiechecklist en de implementatie ervan geëvalueerd en beschreven. De analyses en het bijhorende artikel zijn in vergevorderd stadium en zullen medio 2017 afgerond worden en ingediend worden voor publicatie bij een internationaal wetenschappelijk tijdschrift. Met dit doel voor ogen werd reeds begonnen aan het gebruiksklaar maken van de data die nodig is om de analyses uit te voeren. Een derde geplande studie zal ingaan op de relatie tussen gegevens verzameld via de observatiechecklist en gegevens verzameld via zelf-rapportage, een vierde geplande studie op overeenkomsten en verschillen in scores op de observatiechecklist tussen Nederlandse jongens en jongens van niet-Nederlandse herkomst. De vijfde geplande studie zal – indien mogelijk – nagaan of scores op de observatiechecklist later wangedrag binnen de instelling kunnen voorspellen.

Voor meer informatie: O.Colins@curium.nl (projectleider)

decisions-6

Thumbs Up; ondersteuning bij behandelbeslissingen, een digitale tool

Bij jongeren die vanwege delinquent gedrag in een JJI terecht komen, is vaak sprake van een variëteit aan problemen. Veelal is er sprake van psychiatrische problematiek, maar ook problemen in psychologische en contextuele zin.

Binnen de behandeling is het een uitdaging om een passend traject samen te stellen omdat er veel verschillende factoren moeten worden overzien, die elkaar ook nog eens onderling beïnvloeden. Wat zet je nu in bij welke jongere op welk moment?

De beslistool is ontwikkeld op basis van een combinatie van kwantitatief onderzoek (kenmerken doelgroep, uitkomstmaten) en kwalitatief onderzoek (ervaringen en kennis van experts en jongeren). In een Delphistudie gaven behandelaars uit alle JJI’s aan over welke aandachtsgebieden zij informatie moeten hebben om een behandeling te kunnen geven: het systeem, motivatie, persoonlijke eigenschappen, problematiek, delict, vrienden en vrije tijd, werk en wonen en ten slotte hulpverlening. Bij deze domeinen zijn vragen en aandachtspunten opgesteld.

Op basis van een clusteranalyse van risicofactoren, is een indeling gemaakt in zeven profielen van jongeren: antisociale problemen (de zogenaamde veelplegers), systeemproblemen (jongeren met opvoedingsproblemen), jongeren met problemen met geweten en empathie, jongeren met verslavingsproblemen én met gewetens- en empathieproblemen, zedenproblemen, zedenproblemen met verstandelijke beperking en tot slot jongeren die overal gemiddeld scoren. Per profiel zijn specifieke risicofactoren onderzocht.

Motivatie loopt als een rode lijn door de domeinen en profielen heen. Steeds opnieuw wordt gekeken naar wat de jongere in beweging brengt. Behandelaars onderscheiden verschillende typen motivatie: ‘niet gemotiveerd en wordt het ook niet’, ‘lijkt gemotiveerd maar is het niet’, ‘niet gemotiveerd, maar kan het wel worden’ en ‘is gemotiveerd’. Vanwege het grote belang van motivatie voor de behandeling is besloten tot het doen van een deelstudie. Het doel van deze deelstudie is het middels gestructureerde focusgoep discussies verzamelen van kennis en ervaring uit de praktijk met betrekking tot het motiveren en gemotiveerd houden van de verschillende groepen jongeren. Deze informatie kan worden gezien als ‘best practice’ en kan collega’s ondersteuning geven bij het vormgeven van nieuwe behandeltrajecten. Deze informatie zal daarom worden gebruikt tijdens de ontwikkeling van de beslisondersteuning. Het doel is om praktische en toegespitste informatie te vergaren die vervolgens weer gebruikt kan worden door behandelaars.

Tot slot is er uitvoerig literatuuronderzoek gedaan naar werkzame behandelingen voor bepaalde problemen.

In het voortraject van de ontwikkeling van de digitale tool is een papieren versie van de beslistool gemaakt. Gedragsdeskundigen uit verschillende JJI’s en een forensische ggz instelling hebben – bij wijze van proef – deze versie gebruikt als leidraad in gesprekken met een tiental jongeren. Dit liet zien dat over het algemeen zowel de jongeren als de behandelaars positief over de beslistool zijn. De tool biedt structuur en houvast en draagt bij aan duidelijkheid over werkdoelen. Of, zoals één jongere opmerkte: ‘ik snap nu waar ik op moet letten’.

Op basis van de reacties van de gedragsdeskundigen en jongeren is het papieren model aangepast en is een eerste digitale versie ontwikkeld. De pilot van deze tool start in februari 2017. Medio 2017 is de eerste versie van de tool klaar voor doorontwikkeling op langere termijn.

Publicatie: S. Hillege, L. van Domburg, E. Mulder, L. Jansen and R. Vermeiren; ‘How do Forensic Clinicians Decide? A Delphi Approach to Identify Domains Commonly Used in Forensic Juvenile Treatment Planning’ (2016).

Voor meer informatie: n.hornby@teylingereind.nl (projectleider)

 

Gezin

Gezinsgericht werken in de JJI, jeugzorgplus en residentiële jeugdzorg

Het gezin speelt een belangrijke rol in het leven van jongeren. Justitiële Jeugdinrichtingen en JeugdzorgPlus (gesloten jeugdhulp voor jongeren die niet vanwege een strafbaar feit zijn geplaatst) willen daarom ouders intensiever betrekken bij het verblijf en de behandeling van hun kind in de inrichting. Echter, bestaande gezinsbehandelingen waar de residentiele instellingen mee werkten zijn eigenlijk alleen bedoeld voor de ambulante zorg. Daarom is binnen de Academische Werkplaats Forensische Zorg voor Jeugd (AWFZJ) een programma ontwikkeld voor gezinsgericht werken binnen de residentiele jeugdhulp in een gedwongen kader.

Gezinsgericht werken is een breed programma waarbij ouders integraal onderdeel zijn van de behandeling en het verblijf waarbij alle professionals in de instelling betrokken zijn. Uitgangspunt van dit programma is om de afstand tussen de jeugdinstelling en thuis zo klein mogelijk te maken. Het streven is om te zorgen voor continuïteit van de behandeling tijdens het verblijf tot de terugkeer naar huis en waar nodig ook daarna.

Het programma ‘Gezinsgericht werken’ bestaat uit een module voor kort verblijf, een module voor lang verblijf en een module voor ouderbegeleiding. Ouders worden letterlijk binnengelaten in de instelling, tijdens bijvoorbeeld ouderavonden of gemeenschappelijke activiteiten als het samen koken door ouders en jongeren. Waar nodig wordt intensievere behandeling en begeleiding van het gezin opgestart.

Het effect van het programma is onderzocht via vragenlijsten bij jongeren, hun ouders en groepsleiders. Er is ook informatie verzameld over bezoeken van ouders aan hun kind in de instelling, incidenten waarbij de jongeren betrokken waren en uitslagen van urinecontroles. Daarnaast zijn interviews gehouden met groepsleiders, ouders en jongeren.

Met de resultaten is het aanbod beter afgestemd op de behoeften van de ouders en jongeren. Uit het onderzoek kwam bijvoorbeeld naar voren dat jongeren willen dat hun ouders gebeld worden; niet alleen als zij iets verkeerd doen, maar ook als ze iets goed doen. Bij de ouders bleek bijvoorbeeld dat zij een uitnodiging om op de groep te komen eten wel waardeerden, maar dat zij nog liever zelf wilden komen koken.

 

Praktijk

Na de pilotfase, waaraan drie groepen voor kort verblijf en twee groepen voor lang verblijf meededen, is het programma begin 2016 uitgerold naar alle vijftien leefgroepen in de twee deelnemende justitiële jeugdinrichtingen. Het gezinsgericht werken behoort daar nu tot de reguliere werkwijze. Ook een JJI die niet was aangesloten bij de werkplaats werkt er inmiddels mee. Het programma is geschikt voor brede toepassing in de andere JJI’s. Een knelpunt is echter dat door bezuinigingen niet meer in alle JJI’s een gezinstherapeut aanwezig is. Eén van de oplossingen die succesvol is verlopen, is het laten uitvoeren van de gezinstherapie door een instelling voor ambulante jeugdzorg.

In een pilotproject zijn ook in twee residentiele instellingen, waaronder één JeugdzorgPlusinstelling, medewerkers getraind in het gezinsgericht werken. In 2016 zijn hieraan twee instellingen  toegevoegd. Deze pilots zijn daarnaast gebruikt voor aanpassingen van de modules om ze breder inzetbaar te maken voor residentiële instellingen.

 

Opleidingen

De trainingen voor groepsleiders zijn ondergebracht bij Stichting Jeugdinterventies. Zij beheren de trainingen, zorgen voor verspreiding en bieden de training aan. Verder is de ontwikkelde kennis en methodiek door de Hogeschool Leiden opgenomen in de minor werken in gedwongen kader. De twee modules voor kort- en langverblijf binnen JJI zijn voor de Jeugdzorgplus samengevoegd tot één module. Deze module is ook toepasbaar voor andere residentiële instellingen.

Vanwege internationale belangstelling wordt het programma momenteel in het Engels vertaald.

 

Onderzoek

In 2015 zijn kennis en producten op het gebied van cliënt- en omgevingsgericht werken die zijn ontwikkeld door verschillende academische werkplaatsen, gebundeld. Ook de methode gezinsgericht werken wordt daarin meegenomen.

Voor onderzoek in residentiele jeugdzorg is de samenwerking aangegaan met het ExtrAct consortium voor het ‘indikken gedragsinterventies externaliserende problematiek’. De Academische Werkplaats ontwikkelt verder een beginmeting voor (nieuwe) deelnemende instellingen. Met deze meting kan worden bepaald wat er nodig is aan training, zodat het trainingspakket op maat kan worden aangeboden. De verzamelde gegevens kunnen daarnaast worden gebruikt in het onderzoek naar de invloed van gezinsgericht werken.

Op langere termijn zou de werkplaats in kaart willen brengen wat het effect van gezinsgericht werken is op de effectiviteit van de totale behandeling.

 

Beleid

De methodiek is landelijk beschikbaar gesteld en als ‘goed voorbeeld’ opgenomen door het ministerie van Veiligheid en Justitie in haar visie op zorg voor de jongeren die ze onder haar hoede heeft. Daarnaast worden de projectresultaten ook gebruikt in de nieuwe AWTJ Risicojeugd, in het kader van het project bejegening. In het kader van dit project worden wijkteams getraind in het omgaan met risicojeugd en hun gezin. Gezinsgericht werken leent zich hier heel goed voor.