Eva_Mulder_artikel_praktijkgestuurd_onderzoek_f8331142e7

Betere zorg voor kinderen en jongeren met ernstige gedragsproblemen

Op 20 juni jl. was een vertegenwoordiging van ZonMw, de commissie Academische Werkplaatsen Jeugd en de ministeries van VWS en Justitie & Veiligheid op bezoek bij de Academische Werkplaats Risicojeugd. De AWRJ heeft onder andere verteld over gezinsgericht werken, kleinschalige voorzieningen, neurobiologie en bejegening van Risicojeugd. Ook hebben we aandacht besteed aan de dilemma’s bij het doen van onderzoek naar jongeren met veel problemen. De AWRJ heeft het bezoek laten zien hoe we ons als landelijke academische werkplaats ook in de toekomst willen blijven inzetten voor risicojeugd. Meer over dit bezoek lees je hier.

rapport JZplus

Eindrapport ‘Ik laat je niet alleen’

Samen met alle jeugdzorgPlus instellingen heeft de AWRJ de afgelopen maanden het project ‘Ik laat je niet alleen ‘uitgevoerd’. Dit project was een eerste stap om gedwongen afzonderen in JeugdzorgPlus terug te dringen. Het eindrapport is 18 juni 2019 naar de Tweede Kamer gestuurd. Lees meer hierover op de website van Jeugdzorg Nederland.

Leernetwerk Leren voor de toekomst AWRJ

Regionaal Leernetwerk Utrecht

Regionaal Leernetwerk Utrecht

Het ‘Regionaal Leernetwerk Utrecht Leren voor de Toekomst’ bestaat uit professionals uit praktijkorganisaties, docenten uit onderwijsinstellingen (hbo, universitair, post-master), ervaringsdeskundige jeugdigen, opvoeders, onderzoekers en beleidsmakers. Zij verzamelen kennisonderwerpen die relevant zijn voor onderlinge kennisuitwisseling en deskundigheidsbevordering binnen het brede jeugddomein. Dit gebeurt via gesprekken tussen docenten, professionals en studenten en via onderzoeksprojecten van onder meer de landelijke AW Risicojeugd en de Academische Werkplaats (AW) Transformatie Jeugd Utrecht. Een selectie van onderwerpen wordt uitgewerkt in verbindende, innovatieve oplossingen en onderwijsproducten. Docenten en studenten zullen daarmee beter uitgerust worden om bij te dragen aan een gezond opvoedings- en ontwikkelingsklimaat en effectieve hulp op maat voor jongeren en hun gezinnen.

Meer informatie en contact

Klik hier voor meer informatie over dit project. Neem voor vragen contact op via regionaal-leernetwerk-jeugd-utrecht@hu.nl.

Huiskamer-360x240

AWTJ Risicojeugd onderbouwt ons mensbeeld met harde cijfers

In de Kleinschalige Forensische Voorziening (KV) Amsterdam leiden acht jongeren in preventieve hechtenis een zo normaal mogelijk leven. Door veel eigen verantwoordelijkheid vallen ze minder snel terug in de criminaliteit. AW Risicojeugd doet onderzoek naar de KV.

 

De Kleinschalige Voorziening (KV) oogt als een normaal gebouw en valt niet op in de woonwijk waar hij staat. Binnen is het huiselijker dan in een justitiële jeugdinrichting, met een huiskamer en een open keuken waar de jongeren eten kunnen pakken wanneer ze willen. Van ‘s avonds 22 uur tot ‘s ochtends 7 uur gaan de deuren van de slaapkamers op slot, buiten die tijden bewegen de jongeren – verdacht van een crimineel vergrijp – vrij. Ze leiden een zo normaal mogelijk leven: gaan naar hun eigen school of werk en zien hun familie zoveel mogelijk.

Door de eigen verantwoordelijkheid vallen de jongeren minder snel terug in de criminaliteit. Hun vrijheid heeft wel grenzen: er zijn regels en het is de bedoeling dat ze overdag op school, werk of stage zijn. Niet alle jeugddelinquenten komen in aanmerking voor de KV. Ze moeten er passen, en zelf willen werken aan hun toekomst. Ruud Jacobs is projectleider van de KV en van Spirit! Jeugd- en Opvoedhulp. ‘Voor de jongeren is de KV een wake-up call, om de juiste keuzes te maken en niet verder te verglijden in een vorm van criminaliteit.’

Pilot

In 2016 begon de KV als een pilot, of proeftuin. ‘Veel gevangenissen in Amsterdam sloten in 2015 door dalende criminaliteitscijfers met een overschot aan cellen als gevolg’, vertelt Jacobs. ‘De jeugdgevangenis en Bijlmerbajes sloten. Verschillende Amsterdamse ketenpartners kwamen toen bij elkaar: Spirit!, de Raad voor de Kinderbescherming, Jeugdhulpverlening, Gemeente Amsterdam, maar ook de advocatuur en Rechtbank. Zij bespraken hoe ze in de vraag aan plek voor jeugddelinquenten konden voorzien. Hier kwam de KV uit voort, een pilot die in eerste instantie tien maanden zou draaien. AWTJ Risicojeugd kreeg de opdracht om de werkzame elementen die uit de pilot naar voren kwamen, wetenschappelijk aan te tonen.’

Risicoverlagend

Inmiddels, twee jaar en  vier maanden later, bestaat de KV nog steeds, in tegenstelling tot twee soortgelijke pilots in Groningen en Nijmegen. ‘De academische werkplaats volgt ons continu. Zij hebben de 110 dossiers van de jongeren geanalyseerd en er een conclusie uit getrokken. Die is dat de jongeren zelf, hun ouders en alle ketenpartners in hoge mate tevreden zijn over de KV. De jongen zelf geven aan dat ze zich gezien en gehoord voelen, dat ze kansen krijgen, dat ze zich passend behandeld voelen. Ouders geven aan: we voelen dat we hier ons kind veilig achter kunnen laten. Dit alles heeft een positieve invloed op het leven van de jongeren, en werkt daarmee risicoverlagend.’

De AWTJ onderbouwt deze conclusie in haar rapporten. ‘De werkplaats is voor ons eigenlijk van levensbelang’, stelt Jacobs. ‘Zonder hen zouden wij zijn opgedoekt, en de jongeren zouden in een heel bepalende periode in hun leven meer risico’s hebben gelopen. Ze zouden daardoor vermoedelijk  in een negatieve spiraal zijn gekomen.’ Andere factoren die hebben geholpen bij het overeind houden van de KV, zijn de urgentie van dententieplekken in Amsterdam en ‘de soepele samenwerking tussen de ketenpartners.’

Werkzame elementen

Jacobs vindt ook de samenwerking met de onderzoekers van de AWRJ positief. ‘Iedere dinsdag zit hier een ploegje van de werkplaats. Ze hebben hier een eigen kamertje en lopen met de jongeren en het team door de KV. Ze moeten zich positioneren tussen de ouders, de advocatuur. Dat doen ze heel goed. Ze stellen zich zo neutraal mogelijk op. Ook begrijpen ze de processen hier goed. Wij denken vanuit een mensbeeld dat uitgaat van een vorm van veiligheid en respect: kansen bieden, de jongeren laten leren. We zijn bijvoorbeeld selectief in verlof intrekken als straf. De AWRJ begrijpt dat dit uiteindelijk winst oplevert. Als ze dat niet zouden begrijpen, zouden ze in hun rapporten niet kunnen overdragen wat de werkzame elementen van de KV zijn. Dan zou de buitenwereld de KV vooral blijven zien als een risicovol project.’

Wetenschappelijke ondersteuning

Jacobs ziet bevindingen van de academische werkplaats daarom als een grote meerwaarde voor de KV. ‘Ze hebben wetenschappelijk bewezen dat ons mensbeeld klopt. Als wij voorlichting geven, bijvoorbeeld aan de minister, of een van de vele werkgroepen die hier langskomen, dan kan ik de rapporten van de AWTJ gebruiken als ondersteuning. Ik kan statistieken, harde cijfers laten zien. Zelf hadden we die niet naar boven kunnen halen. De AWRJ beschrijft ook de methodiek: welke visie er onder de cijfers hangt. Ze hebben daarmee een inspirerende rol voor ons.’

Jacobs kan niet voorspellen wat er in de toekomst met de KV zal gebeuren. ‘Maar de minister kan eigenlijk niet anders dan dit project vervolgen. In zijn werkbezoek gaf hij de indruk dat hij positief geraakt was door wat hij zag én door de onderbouwing van de AWRJ.’

Risicojongeren

Bejegening Risicojongeren

Bejegening

Een bijzondere doelgroep van risicojeugd kenmerkt zich door zorgmijdend gedrag. Het gaat om risicojongeren tussen de 12 en 27 jaar , doorgaans met een forensische achtergrond , en waarbij extra aandacht uitgaat naar jongeren met een migratieachtergrond en/of afkomstig uit multiprobleemgezinnen. Het zorgmijdend gedrag dat deze doelgroep kenmerkt verwijst enerzijds naar de ervaring dat zij zich weerbarstig opstellen richting hulpverlening. Anderzijds betekent het ook dat deze doelgroep minder toegankelijk is, omdat hulpverleners hen nog moeilijk weten te bereiken en te motiveren. Daarbij speelt een rol dat deze jongeren vaak al eerdere negatieve ervaringen met hulpverlening achter de rug hebben. Die ervaringen zijn het gevolg van geconstateerde (ernstige) gedragsproblemen en problematiek op andere leefgebieden (met betrekking op ouders, middelengebruik, school etc.). Hechtingsproblematiek of opgebouwd wantrouwen naar professionals maken dat deze jongeren niet snel een band aangaan met hulpverleners. Andersom kan bij hulpverleners ook sprake zijn van handelingsverlegenheid. In dat geval kan een professional spanningen ervaren in de omgang met de doelgroep met als gevolg dat (methodisch) handelen uitblijft. Die spanningen zijn niet zelden het gevolg van het ontbreken van een gedegen methodiek voor effectieve bejegening van een jongere door de professional in een werkrelatie waarbinnen een jongere zich begeleidbaar opstelt (coöperatief en corrigeerbaar) in een hulpverleningstraject, behandeling of interventie. 

Hier staat tegenover dat in de dagelijkse praktijk van verschillende gemeenten voorbeelden te vinden zijn van professionals uit het sociale- en veiligheidsdomein, die het wel goed lukt om in contact te komen met deze doelgroep van risicojongeren en hun werkzaamheden te verrichten. Die voorbeelden hebben betrekking op professionals die zich richten op hulpverlening, maar soms ook op professionals die belast zijn met taken in handhaving of preventie. Deze professionals en hun organisaties vallen op wanneer drie afzonderlijke bronnen gewag maken van hun opmerkelijke competenties om met een goede bejegening effectieve werkrelaties op te bouwen met jongeren uit de doelgroep: de (gemeentelijke) regisseur van een integrale aanpak, partnerorganisaties uit het sociale- en veiligheidsdomein, en – niet in de laatste plaats – de jongeren zelf. 

Uitdaging

De uitdaging in het project ‘Bejegening’ van het AWRJ is om te leren van een aantal van deze voorbeeldorganisaties als ‘best practices’ ten aanzien van bejegening in de werkrelatie met risicojongeren uit de doelgroep. Wat zijn de werkzame factoren in de bejegening van deze jongeren waardoor het die professionals juist wel bijzonder goed lukt om in contact te treden, een relatie op te bouwen en vooruitgang te boeken in hun professionele doel (met betrekking tot hulpverlening, handhaving en/of preventie).

Looptijd en opbrengsten

Het project gaat van start in januari 2019 en zal worden afgerond in oktober 2019. Het wordt gefinancierd vanuit een ZonMw subsidie. Het project wordt uitgevoerd door een junior onderzoeker, Nienke de Wit, en de projectleider, Jan Dirk de Jong (lector Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden). De opbrengsten van het project zullen zijn: 

  • een overzicht van werkzame factoren in bejegening van risicojeugd (algemeen en specifiek in de werkwijze van de deelnemende ‘goede voorbeelden’)
  • een eenduidige beschrijving van de werkwijze (met aandacht voor werkrelatie en verantwoording aan de gemeente) van elk deelnemend ‘goed voorbeeld’, met als doel deze werkwijze inzichtelijk te maken voor gemeenten
  • een training/methodiek om de werkwijze/bejegeningswijze over te dragen aan nieuwe medewerkers en medewerkers van de toekomst (studenten hogeschool/universiteit)
Bruggenbouwer kind op brug

Bruggenbouwer

BRUGGENBOUWER

Professional als verbinder tussen justitie, gemeente en reguliere zorg

Ontwikkeltraject Transforensisch werken, denken en doen

Inleiding

De impact van de transitie en transformatie Jeugdzorg is inmiddels merkbaar en uit de verschillende proeftuinen en pilots naar aanleiding van de Verkenning Invulling Vrijheidsbeneming Jeugd (VIV) zijn inmiddels de belangrijkste bevindingen gedeeld. Ongeacht het vervolg van VIV staat in ieder geval vast dat diverse externe ontwikkelingen een nieuwe manier van werken vereisen. Met het oog op de nabije toekomst wordt aan medewerkers dan ook een andere rol en invulling van het werk en de verantwoordelijkheden gevraagd. 

Als organisatie zoekt Forensisch Centrum Teylingereind nog nadrukkelijker de samenwerking in de keten en realiseren we ons steeds meer dat we, met name waar het de kortverblijvers betreft, vooral faciliterend moeten zijn als onderdeel van een traject. Een traject dat ergens buiten de organisatie al is ingezet en in de meeste gevallen na vertrek weer wordt voortgezet. De periode van verblijf in de inrichting is dus een schakel of onderdeel daarin en zo min mogelijk een onderbreking. Daarom richten we ons binnen op de doelen die de jongere samen met zijn externe (zorg)netwerk heeft gesteld om er voor te zorgen dat hij (weer) op een positieve wijze kan meedoen in de samenleving. Binnen bezig zijn met wat eerder is opgestart en/of straks buiten nodig is. De professionals vormen als begeleider of behandelaar van de jongere een essentiële rol. In wezen zijn zij de schakel in het waarborgen van doorlopende trajecten en precies dit is voor Teylingereind transforensisch werken. Werken vanuit de vragen en behoeftes van de jongere en onze ketenpartners: wat heeft hij en welke informatie hebben zij van ons nodig om het traject zo succesvol mogelijk te kunnen vervolgen. Onze focus moet daar op gericht zijn.

Transforensisch werken vraagt ook om een andere bejegening van de doelgroep. Een bejegening waarbij de nadruk ligt op het aangaan van een samenwerkingsrelatie met de jongere. Tijdens het verblijf in Teylingereind staan twee onderwerpen centraal: ten eerste wordt het verblijf benut voor observatie en diagnostiek om nog beter zicht te krijgen op gedrag, mogelijke risico’s, talenten en valkuilen van de jongere. Het verblijf in de inrichting is bij uitstek een waardevolle observatieomgeving en biedt de mogelijkheid om, onder andere op basis van de informatiebehoefte van ketenpartners, goed onderbouwde antwoorden te geven op hun vragen. 

Ten tweede is het de bedoeling dat de jongere, samen met de begeleiding in Teylingereind en de al betrokken (of waar mogelijk zijn toekomstige) begeleiders van buiten Teylingereind,  werkt aan perspectiefdoelen met het oog op een succesvolle terugkeer na verblijf. In de bejegening van jongeren in Teylingereind wordt gewerkt vanuit een positief ontwikkelklimaat en volgens de principes van relationele beveiliging. 

Observeren en rapporteren

De eerste periode van verblijf in de inrichting wordt door de meeste jongeren en hun netwerk ervaren als een crisis. Tijdens zo’n crisis blijkt de jongere (en zijn gezin) het meest vatbaar voor hulp en verandering. Dat maakt dat deze situatie bij uitstek het meest geschikt is om te benutten voor het in beweging zetten van het proces dat vooraf gaat aan de eerste raadkamer: het op basis van de vraag van ketenpartners verzamelen van relevante informatie – over gedrag, over hoe de jongere zich verhoudt tot leeftijdsgenoten, tot regels, kansen en vrijheden – en op en het bouwen van een brug tussen binnen en buiten.

Opdracht met als beoogde resultaten: doel door doen

Het ontwikkeltraject wordt ingezet vanuit twee ontwikkelgroepen, namelijk Observeren&Rapporteren 3.0 en Training Transforensisch werken. Middels actieonderzoek wordt gedurende het traject nagegaan wat de bevindingen en positief werkende elementen zijn. Al doende en afrondend wordt een en ander vertaald naar producten: visie, instrumenten, aanbevelingen en rapportages.

Ontwikkelgroep Observeren&Rapporteren 3.0

Doel is een breed inzetbare trainingsmodule ‘Observeren&rapporteren’ die aansluit op interne en externe beslismomenten (raadkamer, ketenpartners) door:

  • te inventariseren wat er al is, waaronder de observatiechecklist, ervaringen binnen de ForCa-observatieafdeling De Dijk en resultaten uit de proeftuinen Screening&Diagnostiek;
  • de input uit de inventarisatie te gebruiken bij het verder ontwerpen en ontwikkelen van een nieuwe werkwijze observeren en rapporteren die aansluit op de interne en externe beslismomenten en deze te vertalen naar een trainingsmodule,
  • in samenwerking met de ontwikkelgroep Transforensisch werken relationele beveiliging (inclusief benodigde competenties) als onderdeel van observeren en transforensisch werken te beschrijven en de uitkomsten te integreren in de trainingsmodule Observeren&Rapporteren;
  • de trainingsmodule te testen en de resultaten te gebruiken voor het vervolmaken ervan;
  • aanbevelingen te formuleren hoe kennis&vaardigheden Observeren&Rapporteren 3.0 geborgd kunnen worden

Ontwikkelgroep Transforensisch werken

Doel is een breed inzetbare trainingsmodule ‘Bruggenbouwer’ gericht op competentieontwikkeling t.b.v. ‘binnen bezig zijn met wat buiten nodig is’ door:

  • te inventariseren wat er al is, waaronder de ervaringen in de kleinschalige voorziening Amsterdam en de resultaten uit de proeftuinen Kleinschalige Voorziening
  • de input uit de inventarisatie te gebruiken bij het beschrijven van wat transforensisch denken en doen inhoudt, de rol van de medewerker daarin en wat daar voor nodig is (competenties)
  • in samenwerking met de ontwikkelgroep Observeren&Rapporteren relationele beveiliging (inclusief benodigde competenties) als onderdeel van observeren en transforensisch werken te beschrijven en de uitkomsten te integreren in de trainingsmodule Bruggenbouwer;
  • op basis van de visie en competenties een breed inzetbare trainingsmodule Bruggenbouwer te ontwikkelen 
  • de trainingsmodule te testen en de resultaten te gebruiken voor het vervolmaken ervan
  • aanbevelingen te formuleren hoe kennis&vaardigheden Bruggenbouwergeborgd kunnen worden.

Actie-onderzoek

  • lever een bijdrage in de formulering van de trainingsmodules door de inventarisatie van bevindingen, oplossingen en geleerde lessen te vertalen naar aanbevelingen
  • draag zorg voor een kruisbestuiving op onderdelen tussen de twee ontwikkelgroepen door ervaringen, bevindingen en bruikbare elementen te delen en waar relevant te integreren
  • formuleer aanbevelingen over systeemobstakels (waaronder caseload reclassering, financieringen, informatie-uitwisseling tussen ketenpartners en gemeente) door het systematisch inventariseren van de bevindingen middels actie-onderzoek en deze te vertalen naar aanbevelingen
  • formuleer aanbevelingen verbinding justitiële wereld en lokale zorgstructuren en borging van uitwisseling kennis en ervaring tussen JJI en ketenpartners, waaronder de gemeentes door het systematisch inventariseren van de bevindingen middels actieonderzoek en deze te vertalen naar aanbevelingen
  • stel een overzicht samen van geleerde lessen over lerend transformeren door de resultaten uit actieonderzoek te vertalen naar ‘geleerde lessen’

Bruggenbouwers

Vanuit de Academische werkplaats Risicojeugd (AWRJ) worden op basis van actuele thema’s diverse projecten en onderzoeken geïnitieerd en/of ondersteund. Een van die thema’s is Bejegening. Teylingereind participeert in de AWRJ, waarin wetenschap, onderwijs, praktijk en beleid samen werken. Vooral om die waardevolle bundeling van kennis en ervaring dankzij de betrokkenheid van vertegenwoordigers uit diverse organisaties is gekozen voor een projectstructuur waarin ook de AWRJ nadrukkelijk een rol speelt. Daarnaast zijn ook de kleinschalige voorziening Amsterdam, waar reeds ervaring is opgedaan met een andere bejegening en relationele beveiliging, de Raad voor de Kinderbescherming (Den Haag en Amsterdam), Jeugdbescherming, Reclassering, Hogeschool Windesheim en Hogeschool Leiden en het Actiecentrum Veiligheid&Zorg, regio Amsterdam-Amstelland betrokken. Vanzelfsprekend 

Ook op andere plekken in het land wordt gewerkt aan de ontwikkeling van transforensisch werken. Via de samenwerking binnen de Academische Werkplaats zal ook een verbinding worden gelegd met andere projecten en pilots rondom dit thema. Op deze manier wordt gezorgd voor optimale uitwisseling van kennis en ervaring en wordt daarnaast vanaf de start van het project al een basis gelegd voor verspreiding van de uiteindelijke resultaten.

Projectfases en planning

We onderscheiden een aantal fases in het project, te weten:

  • 2018: voorbereidingsfase, bestaande uit projectformulering, intern en extern draagvlak creëren, betrekken ketenpartners, startupbijeenkomsten aan de hand van projectmatig creëren en definitieve opdrachtafbakening
  • november 2018-april 2019: ontwerpfase, bestaande uit o.a. inventarisatie van ‘wat er al is’, op basis daarvan gedachtevorming, visievorming, ontwikkeling, ontwerpen en beschrijven van competenties en trainingsmodules;  
  • mei 2019-september 2019: pilotfase, bestaande uit het organiseren en ‘testen’ trainingsmodules en eventuele instrumenten, het op basis van ervaringen en bevindingen definitief maken van visie(formulering), trainingsmodules en eventuele instrumenten
  • oktober 2019-december 2019: formuleringsfase, bestaande uit het vertalen van ervaringen, bevindingen en evaluaties naar conclusies, aanbevelingen en borgingsadviezen
  • oktober 2019-december 2019: implementatiefase, bestaande uit het opdracht geven tot het (laten) trainen van alle medewerkers uit genoemde functionarisgroepen
  • 2018-2019: actieonderzoek, gedurende de ontwerp- en de pilotfase met als doel al doende na te gaan wat wel en niet werkt en gedurende de ontwikkelingen de koers daar steeds op aan te passen. Geïnventariseerde ervaringen en bevindingen vormen input voor zowel de op te leveren producten.

Voor meer informatie kun je contact opnemen met Carla van Vliet (c.van.vliet@teylingereind.nl)