M. Hermans; Neuropsychological correlates of psychopathic traits among delinquent adolescents

Objective: This master thesis aimed to study neuropsychological functioning and psychopathic traits among delinquent adolescents within a Juvenile Justice Institution (JJI) in the Netherlands. The research question ‘In what way is neuropsychological functioning related to psychopathic traits among delinquent adolescents?’ was explored through three hypotheses; delinquent adolescents with higher Verbal IQ and Verbal Comprehension Index scores show more traits of the interpersonal domain (1), delinquent adolescents with better performance on sustained attention show more traits of the affective domain (2), and delinquent adolescents with lower inhibition scores show more traits of the behavioural domain (3).

Method: Fifteen adolescents were tested for IQ (WISC-III, WAIS), sustained attention (BourdonVos), impulsivity/inhibition (Stroop) within the JJI. The Youth Psychopathic trait Inventory (YPI) was used to assess psychopathic traits. Performance on the neuropsychological tests was compared with the interpersonal domain, affective domain and the behavioural domain (YPI). Regression analyses were used to investigate whether the significant correlations predicted variance in psychopathic traits.

Results: Among other significant correlations between IQ scores and psychopathic traits that were found, a significant positive correlation was found between Verbal Comprehension and Dishonest Charm (interpersonal domain YPI). Verbal Comprehension did not predict variance in Dishonest Charm. No relationships were found between sustained attention, inhibition/impulsivity and psychopathic traits.

Discussion: Little research had been done on the relationship between psychopathic traits and neuropsychological functioning, but some of the findings in this study were in line with prior research. Most studies were done in the general population and this study is the first in the Netherlands to include detained adolescents. Main limitations were the small group size and the refusal of some adolescents to cooperate, which could result in a bias. Future recommendation is to conduct a longitudinal study which includes normal controls, focussing upon the relationship between IQ, psychopathic traits and the severity of the crime committed. The results of this study can be taken into consideration when diagnosing delinquent adolescents and when starting treatment.

Daisy Ooms; Het opsporen van psychopathologie bij jongeren in een Justitiële Jeugdinrichting. De aanwezigheid van internaliserende problematiek

Introductie: Tijdens deze wetenschapsstage is onderzoek gedaan naar het opsporen van en screenen op psychopathologie bij jongeren in een Justitiële Jeugdinrichting. Hierbij is in het bijzonder aandacht besteed aan de aanwezigheid van internaliserende problematiek.  De opbouw van dit onderzoek was drieledig: 1. Aanvullende diagnostiek voor depressieve symptomen bij de screening. 2. De bijdrage van informatie uit de dossiers voor het opsporen van psychopathologie. 3. Problematiek onder jongeren die zijn doorverwezen voor psychiatrische hulp.

Materiaal en Methode: de onderzoeksgroep bestond uit jongeren die tussen april en oktober 2008 verbleven in “Forensisch Centrum Teylingereind”, een particuliere, gesloten justitiële jeugdinrichting.  1. Screening op psychopathologie vond plaats bij 82 jongens met behulp van de MAYSI-2 en de SDQ, aanvullende diagnostiek met de BDI-II.  2. Van 15 jongens zijn alle beschikbare dossiers doorgenomen op de aan- of afwezigheid van (risico)factoren voor psychopathologie.  3. Uit de psychiatrische consultverslagen van 32 jongeren is de actuele problematiek en de psychiatrische voorgeschiedenis bepaald.

Resultaten:  1. Een kwart van de jongens heeft matig ernstige of ernstige depressieve symptomen wanneer zij worden opgenomen in een justitiële jeugdinrichting. Tussen de subschalen op de MAYSI-2 en SDQ voor internaliserende problematiek, en de totaalscore op de BDI-II-NL bestaat een  sterk positieve correlatiecoëfficiënt.  2. Informatie uit dossiers draagt in beperkte mate bij aan het opsporen van psychopathologie. Aanwezigheid van (risico)factoren in de voorgeschiedenis van de jongere kan belangrijke informatie opleveren als aanvulling op de screening.  3. Een vijfde van de populatie jongeren in Forensisch Centrum Teylingereind wordt doorverwezen voor psychiatrische hulp. Hoewel externaliserende problematiek meer prevalent is in de voorgeschiedenis dan internaliserende problematiek, is deze verhouding gelijk voor de actuele problematiek.

In elk deelonderzoek bleek dat civielrechtelijk geplaatste jongeren hoger scoren op de aanwezigheid van psychopathologie en (risico)factoren dan strafrechtelijk geplaatste jongeren.

Conclusie:  Internaliserende problematiek komt frequent voor onder jongeren die verblijven in een Justitiële Jeugdinrichting; de BDI-II is een goed diagnostisch instrument om aanvullende informatie te verschaffen over de ernst van depressieve symptomen wanneer screening met de MAYSI-2 en SDQ een verdenking op internaliserende problematiek aantoont. In de helft van de gevallen betreft de reden voor verwijzing naar de psychiater (een verdenking op) internaliserende problematiek. Informatie over (risico)factoren uit dossiers kan bijdragen aan het concretiseren van een verdenking op psychopathologie.