De posts die in projecten moeten komen.

Risicojongeren

Bejegening Risicojongeren

Bejegening

Een bijzondere doelgroep van risicojeugd kenmerkt zich door zorgmijdend gedrag. Het gaat om risicojongeren tussen de 12 en 27 jaar , doorgaans met een forensische achtergrond , en waarbij extra aandacht uitgaat naar jongeren met een migratieachtergrond en/of afkomstig uit multiprobleemgezinnen. Het zorgmijdend gedrag dat deze doelgroep kenmerkt verwijst enerzijds naar de ervaring dat zij zich weerbarstig opstellen richting hulpverlening. Anderzijds betekent het ook dat deze doelgroep minder toegankelijk is, omdat hulpverleners hen nog moeilijk weten te bereiken en te motiveren. Daarbij speelt een rol dat deze jongeren vaak al eerdere negatieve ervaringen met hulpverlening achter de rug hebben. Die ervaringen zijn het gevolg van geconstateerde (ernstige) gedragsproblemen en problematiek op andere leefgebieden (met betrekking op ouders, middelengebruik, school etc.). Hechtingsproblematiek of opgebouwd wantrouwen naar professionals maken dat deze jongeren niet snel een band aangaan met hulpverleners. Andersom kan bij hulpverleners ook sprake zijn van handelingsverlegenheid. In dat geval kan een professional spanningen ervaren in de omgang met de doelgroep met als gevolg dat (methodisch) handelen uitblijft. Die spanningen zijn niet zelden het gevolg van het ontbreken van een gedegen methodiek voor effectieve bejegening van een jongere door de professional in een werkrelatie waarbinnen een jongere zich begeleidbaar opstelt (coöperatief en corrigeerbaar) in een hulpverleningstraject, behandeling of interventie. 

Hier staat tegenover dat in de dagelijkse praktijk van verschillende gemeenten voorbeelden te vinden zijn van professionals uit het sociale- en veiligheidsdomein, die het wel goed lukt om in contact te komen met deze doelgroep van risicojongeren en hun werkzaamheden te verrichten. Die voorbeelden hebben betrekking op professionals die zich richten op hulpverlening, maar soms ook op professionals die belast zijn met taken in handhaving of preventie. Deze professionals en hun organisaties vallen op wanneer drie afzonderlijke bronnen gewag maken van hun opmerkelijke competenties om met een goede bejegening effectieve werkrelaties op te bouwen met jongeren uit de doelgroep: de (gemeentelijke) regisseur van een integrale aanpak, partnerorganisaties uit het sociale- en veiligheidsdomein, en – niet in de laatste plaats – de jongeren zelf. 

Uitdaging

De uitdaging in het project ‘Bejegening’ van het AWRJ is om te leren van een aantal van deze voorbeeldorganisaties als ‘best practices’ ten aanzien van bejegening in de werkrelatie met risicojongeren uit de doelgroep. Wat zijn de werkzame factoren in de bejegening van deze jongeren waardoor het die professionals juist wel bijzonder goed lukt om in contact te treden, een relatie op te bouwen en vooruitgang te boeken in hun professionele doel (met betrekking tot hulpverlening, handhaving en/of preventie).

Looptijd en opbrengsten

Het project gaat van start in januari 2019 en zal worden afgerond in oktober 2019. Het wordt gefinancierd vanuit een ZonMw subsidie. Het project wordt uitgevoerd door een junior onderzoeker, Nienke de Wit, en de projectleider, Jan Dirk de Jong (lector Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden). De opbrengsten van het project zullen zijn: 

  • een overzicht van werkzame factoren in bejegening van risicojeugd (algemeen en specifiek in de werkwijze van de deelnemende ‘goede voorbeelden’)
  • een eenduidige beschrijving van de werkwijze (met aandacht voor werkrelatie en verantwoording aan de gemeente) van elk deelnemend ‘goed voorbeeld’, met als doel deze werkwijze inzichtelijk te maken voor gemeenten
  • een training/methodiek om de werkwijze/bejegeningswijze over te dragen aan nieuwe medewerkers en medewerkers van de toekomst (studenten hogeschool/universiteit)
Bruggenbouwer kind op brug

Bruggenbouwer

BRUGGENBOUWER

Professional als verbinder tussen justitie, gemeente en reguliere zorg

Ontwikkeltraject Transforensisch werken, denken en doen

Inleiding

De impact van de transitie en transformatie Jeugdzorg is inmiddels merkbaar en uit de verschillende proeftuinen en pilots naar aanleiding van de Verkenning Invulling Vrijheidsbeneming Jeugd (VIV) zijn inmiddels de belangrijkste bevindingen gedeeld. Ongeacht het vervolg van VIV staat in ieder geval vast dat diverse externe ontwikkelingen een nieuwe manier van werken vereisen. Met het oog op de nabije toekomst wordt aan medewerkers dan ook een andere rol en invulling van het werk en de verantwoordelijkheden gevraagd. 

Als organisatie zoekt Forensisch Centrum Teylingereind nog nadrukkelijker de samenwerking in de keten en realiseren we ons steeds meer dat we, met name waar het de kortverblijvers betreft, vooral faciliterend moeten zijn als onderdeel van een traject. Een traject dat ergens buiten de organisatie al is ingezet en in de meeste gevallen na vertrek weer wordt voortgezet. De periode van verblijf in de inrichting is dus een schakel of onderdeel daarin en zo min mogelijk een onderbreking. Daarom richten we ons binnen op de doelen die de jongere samen met zijn externe (zorg)netwerk heeft gesteld om er voor te zorgen dat hij (weer) op een positieve wijze kan meedoen in de samenleving. Binnen bezig zijn met wat eerder is opgestart en/of straks buiten nodig is. De professionals vormen als begeleider of behandelaar van de jongere een essentiële rol. In wezen zijn zij de schakel in het waarborgen van doorlopende trajecten en precies dit is voor Teylingereind transforensisch werken. Werken vanuit de vragen en behoeftes van de jongere en onze ketenpartners: wat heeft hij en welke informatie hebben zij van ons nodig om het traject zo succesvol mogelijk te kunnen vervolgen. Onze focus moet daar op gericht zijn.

Transforensisch werken vraagt ook om een andere bejegening van de doelgroep. Een bejegening waarbij de nadruk ligt op het aangaan van een samenwerkingsrelatie met de jongere. Tijdens het verblijf in Teylingereind staan twee onderwerpen centraal: ten eerste wordt het verblijf benut voor observatie en diagnostiek om nog beter zicht te krijgen op gedrag, mogelijke risico’s, talenten en valkuilen van de jongere. Het verblijf in de inrichting is bij uitstek een waardevolle observatieomgeving en biedt de mogelijkheid om, onder andere op basis van de informatiebehoefte van ketenpartners, goed onderbouwde antwoorden te geven op hun vragen. 

Ten tweede is het de bedoeling dat de jongere, samen met de begeleiding in Teylingereind en de al betrokken (of waar mogelijk zijn toekomstige) begeleiders van buiten Teylingereind,  werkt aan perspectiefdoelen met het oog op een succesvolle terugkeer na verblijf. In de bejegening van jongeren in Teylingereind wordt gewerkt vanuit een positief ontwikkelklimaat en volgens de principes van relationele beveiliging. 

Observeren en rapporteren

De eerste periode van verblijf in de inrichting wordt door de meeste jongeren en hun netwerk ervaren als een crisis. Tijdens zo’n crisis blijkt de jongere (en zijn gezin) het meest vatbaar voor hulp en verandering. Dat maakt dat deze situatie bij uitstek het meest geschikt is om te benutten voor het in beweging zetten van het proces dat vooraf gaat aan de eerste raadkamer: het op basis van de vraag van ketenpartners verzamelen van relevante informatie – over gedrag, over hoe de jongere zich verhoudt tot leeftijdsgenoten, tot regels, kansen en vrijheden – en op en het bouwen van een brug tussen binnen en buiten.

Opdracht met als beoogde resultaten: doel door doen

Het ontwikkeltraject wordt ingezet vanuit twee ontwikkelgroepen, namelijk Observeren&Rapporteren 3.0 en Training Transforensisch werken. Middels actieonderzoek wordt gedurende het traject nagegaan wat de bevindingen en positief werkende elementen zijn. Al doende en afrondend wordt een en ander vertaald naar producten: visie, instrumenten, aanbevelingen en rapportages.

Ontwikkelgroep Observeren&Rapporteren 3.0

Doel is een breed inzetbare trainingsmodule ‘Observeren&rapporteren’ die aansluit op interne en externe beslismomenten (raadkamer, ketenpartners) door:

  • te inventariseren wat er al is, waaronder de observatiechecklist, ervaringen binnen de ForCa-observatieafdeling De Dijk en resultaten uit de proeftuinen Screening&Diagnostiek;
  • de input uit de inventarisatie te gebruiken bij het verder ontwerpen en ontwikkelen van een nieuwe werkwijze observeren en rapporteren die aansluit op de interne en externe beslismomenten en deze te vertalen naar een trainingsmodule,
  • in samenwerking met de ontwikkelgroep Transforensisch werken relationele beveiliging (inclusief benodigde competenties) als onderdeel van observeren en transforensisch werken te beschrijven en de uitkomsten te integreren in de trainingsmodule Observeren&Rapporteren;
  • de trainingsmodule te testen en de resultaten te gebruiken voor het vervolmaken ervan;
  • aanbevelingen te formuleren hoe kennis&vaardigheden Observeren&Rapporteren 3.0 geborgd kunnen worden

Ontwikkelgroep Transforensisch werken

Doel is een breed inzetbare trainingsmodule ‘Bruggenbouwer’ gericht op competentieontwikkeling t.b.v. ‘binnen bezig zijn met wat buiten nodig is’ door:

  • te inventariseren wat er al is, waaronder de ervaringen in de kleinschalige voorziening Amsterdam en de resultaten uit de proeftuinen Kleinschalige Voorziening
  • de input uit de inventarisatie te gebruiken bij het beschrijven van wat transforensisch denken en doen inhoudt, de rol van de medewerker daarin en wat daar voor nodig is (competenties)
  • in samenwerking met de ontwikkelgroep Observeren&Rapporteren relationele beveiliging (inclusief benodigde competenties) als onderdeel van observeren en transforensisch werken te beschrijven en de uitkomsten te integreren in de trainingsmodule Bruggenbouwer;
  • op basis van de visie en competenties een breed inzetbare trainingsmodule Bruggenbouwer te ontwikkelen 
  • de trainingsmodule te testen en de resultaten te gebruiken voor het vervolmaken ervan
  • aanbevelingen te formuleren hoe kennis&vaardigheden Bruggenbouwergeborgd kunnen worden.

Actie-onderzoek

  • lever een bijdrage in de formulering van de trainingsmodules door de inventarisatie van bevindingen, oplossingen en geleerde lessen te vertalen naar aanbevelingen
  • draag zorg voor een kruisbestuiving op onderdelen tussen de twee ontwikkelgroepen door ervaringen, bevindingen en bruikbare elementen te delen en waar relevant te integreren
  • formuleer aanbevelingen over systeemobstakels (waaronder caseload reclassering, financieringen, informatie-uitwisseling tussen ketenpartners en gemeente) door het systematisch inventariseren van de bevindingen middels actie-onderzoek en deze te vertalen naar aanbevelingen
  • formuleer aanbevelingen verbinding justitiële wereld en lokale zorgstructuren en borging van uitwisseling kennis en ervaring tussen JJI en ketenpartners, waaronder de gemeentes door het systematisch inventariseren van de bevindingen middels actieonderzoek en deze te vertalen naar aanbevelingen
  • stel een overzicht samen van geleerde lessen over lerend transformeren door de resultaten uit actieonderzoek te vertalen naar ‘geleerde lessen’

Bruggenbouwers

Vanuit de Academische werkplaats Risicojeugd (AWRJ) worden op basis van actuele thema’s diverse projecten en onderzoeken geïnitieerd en/of ondersteund. Een van die thema’s is Bejegening. Teylingereind participeert in de AWRJ, waarin wetenschap, onderwijs, praktijk en beleid samen werken. Vooral om die waardevolle bundeling van kennis en ervaring dankzij de betrokkenheid van vertegenwoordigers uit diverse organisaties is gekozen voor een projectstructuur waarin ook de AWRJ nadrukkelijk een rol speelt. Daarnaast zijn ook de kleinschalige voorziening Amsterdam, waar reeds ervaring is opgedaan met een andere bejegening en relationele beveiliging, de Raad voor de Kinderbescherming (Den Haag en Amsterdam), Jeugdbescherming, Reclassering, Hogeschool Windesheim en Hogeschool Leiden en het Actiecentrum Veiligheid&Zorg, regio Amsterdam-Amstelland betrokken. Vanzelfsprekend 

Ook op andere plekken in het land wordt gewerkt aan de ontwikkeling van transforensisch werken. Via de samenwerking binnen de Academische Werkplaats zal ook een verbinding worden gelegd met andere projecten en pilots rondom dit thema. Op deze manier wordt gezorgd voor optimale uitwisseling van kennis en ervaring en wordt daarnaast vanaf de start van het project al een basis gelegd voor verspreiding van de uiteindelijke resultaten.

Projectfases en planning

We onderscheiden een aantal fases in het project, te weten:

  • 2018: voorbereidingsfase, bestaande uit projectformulering, intern en extern draagvlak creëren, betrekken ketenpartners, startupbijeenkomsten aan de hand van projectmatig creëren en definitieve opdrachtafbakening
  • november 2018-april 2019: ontwerpfase, bestaande uit o.a. inventarisatie van ‘wat er al is’, op basis daarvan gedachtevorming, visievorming, ontwikkeling, ontwerpen en beschrijven van competenties en trainingsmodules;  
  • mei 2019-september 2019: pilotfase, bestaande uit het organiseren en ‘testen’ trainingsmodules en eventuele instrumenten, het op basis van ervaringen en bevindingen definitief maken van visie(formulering), trainingsmodules en eventuele instrumenten
  • oktober 2019-december 2019: formuleringsfase, bestaande uit het vertalen van ervaringen, bevindingen en evaluaties naar conclusies, aanbevelingen en borgingsadviezen
  • oktober 2019-december 2019: implementatiefase, bestaande uit het opdracht geven tot het (laten) trainen van alle medewerkers uit genoemde functionarisgroepen
  • 2018-2019: actieonderzoek, gedurende de ontwerp- en de pilotfase met als doel al doende na te gaan wat wel en niet werkt en gedurende de ontwikkelingen de koers daar steeds op aan te passen. Geïnventariseerde ervaringen en bevindingen vormen input voor zowel de op te leveren producten.

Voor meer informatie kun je contact opnemen met Carla van Vliet (c.van.vliet@teylingereind.nl) 

Ik laat je niet alleen AFB

Ik laat je niet alleen

In het project ‘Ik laat je niet alleen’ onderzoeken we de praktijk van gedwongen afzondering en andere vrijheidsbenemende interventies in de JeugdzorgPlus met het oog op het zoveel mogelijk verminderen en beëindigen daarvan. In het project werken we nauw samen met professionals en jongeren van JeugdzorgPlus organisaties. We ontwikkelen en toetsen een gezamenlijke omschrijving van gedwongen afzondering en onderzoeken alternatieven op basis van een literatuurstudie, Delphi-onderzoek en gespreksrondes.

Op deze poster lees je meer over dit project.

Voor meer informatie: Monika Scholten, Melissa van Dorp, Bram de Heide.

Verrekijker2

Monitoring van Risicojeugd

De vrijheidsbeneming van jongeren wordt op dit moment ten uitvoer gelegd in Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI). Vanuit de noodzaak en de wens om de vrijheidsbeneming van justitiële jongeren anders in te richten, wordt vanuit het ministerie van Justitie en Veiligheid de Verkenning Invulling Vrijheidsbeneming Justitiële Jeugd (VIV JJ) uitgevoerd, met onder andere een aantal proeftuinen.

Binnen VIV JJ is onder andere een zestal proeftuinen gestart: drie proeftuinen voor Kleinschalige Voorzieningen (KV) en drie proeftuinen voor Screening & Diagnostiek (S&D). Het idee van deze proeftuinen is dat niet alle jongeren het hoge beveiligingsniveau van de JJI nodig hebben. Een deel van de jongeren wordt in een lokale voorziening met een lager beveiligingsniveau dan de JJI preventief gehecht, zodat zij door kunnen gaan met de dingen die wel goed gaan. In de KV ligt de focus op het continueren van beschermende factoren zoals school, hobby’s of hulpverlening. Ondanks het strafrechtelijke kader van de jeugddetentie, is het mogelijk voor jongeren om zich te blijven ontwikkelen.

In 2016 heeft de AWRJ de opdracht gekregen om de monitoring van deze proeftuinen uit te voeren. De rol van de AWRJ is het monitoren van zowel de doelgroep, de werkprocessen, als de ontwikkeling van de KV. Dit gebeurt niet alleen door rapportages en dossiers door te spitten, maar ook door actief het gesprek aan te gaan met zowel jongeren, ouders als ketenpartners. Op deze manier worden kwalitatieve en kwantitatieve gegevens verzameld om een compleet beeld van S&D, en de KV en haar plek in de keten te vormen.

Middels begeleidingscommissies en rapporten worden inzichten teruggekoppeld naar praktijk en beleid. Zowel de KV en ketenpartners, als het Ministerie van Justitie van Veiligheid kunnen de ontwikkelpunten en inzichten die uit het onderzoek naar voren komen gebruiken in de verdere ontwikkeling van de werkwijze en het beleid van de KV. Op deze manier brengt de AWRJ de praktijk en wetenschap samen in een continue feedbackloop waarin alle partijen deelnemen. De uitkomsten van het onderzoek worden zo direct toegepast in de praktijk en beleid.

Het eerste eindrapport, opgeleverd op 1 maart 2018, beschrijft op nauwkeurige en gedetailleerde wijze de proeftuinperiode vanaf de start in 2016 tot 22 december 2017. Ook werden hieruit geleerde lessen gedestilleerd. Dit eindrapport is één van de informatiebronnen die het ministerie van Justitie en Veiligheid gebruikt bij de verdere besluitvorming en beleidsontwikkeling in het kader van VIV JJ. Dit rapport richtte zich op de inhoudelijke evaluatie van de proeftuinen S&D en KV. Inmiddels heeft de AWRJ de opdracht gekregen om de monitoring voort te zetten in KV Amsterdam.

Klik hier om het hele rapport te lezen

 

Cultuursensitief

Live Online Leren; cultuursensitief werken

Kinderen uit migrantengezinnen ontvangen vaak niet op tijd én niet de juiste hulp. Om dit aan te pakken is in het kader van het EIF project de LOL-training (Live Online Leren) ontwikkeld om professionals beter te leren omgaan met culturele verschillen. De training is voor professionals die werken in de wijk, in wijkteams en het onderwijs. Doel van de training is om zorgprofessionals beter om te leren gaan met verschillen in cultuur en achtergrond van jongeren om zo te werken aan een betere zorgverlening voor deze doelgroep.

De AWRJ heeft een module De AWRJ droeg bij aan deze training door twee modules te ontwikkelen over Risicojeugd en multiproblem gezinnen, deze zijn opgenomen in het aanbod. Ook zal zij bijdragen aan het bovenregionaal implementeren van het totale trainingsaanbod.

Klik hier voor meer informatie over de training.

Jeugd

‘Leer mij kennen’ en ‘Gezinsaanpak preventie jeugdcriminaliteit’

De Academische Werkplaats Risicojeugd (AWRJ) richt zich op jongeren die door een combinatie van problemen het risico lopen om (opnieuw) in de criminaliteit terecht te komen. De deelnemers in de werkplaats doen er alles aan om risicojongeren op een positieve manier te benaderen en voor hen de mogelijkheid te scheppen om op een constructieve manier deel te nemen aan de samenleving. Dit houdt voor de partners onder meer in dat zij doelmatige integrale wijkaanpakken ontwikkelen, toegelegd op preventie en signalering. Door het samenwerken van zorgorganisaties, onderwijs, welzijn, werk en inkomen, politie, woningbouw wordt voorkomen dat risicojeugd afglijdt naar het criminele pad. In december 2016 is het project ‘Leer mij kennen’ van start gegaan, gericht op onderzoek naar jongeren die uitstromen uit de 24-uurs zorg (in samenwerking met de Werkplaats Sociaal Domein Flevoland). Tegelijkertijd is gestart met het project ‘Gezinsaanpak preventie jeugdcriminaliteit’ dat zich richt op preventie, waarbij wordt samengewerkt met gemeente Almere.

De overkoepelende vraag voor beide projecten luidt ‘Welke fysieke, sociale en risicofactoren zijn vanuit klantperspectief van invloed op een succesvolle maatschappelijke participatie van risicojongeren en hun gezinnen, zowel in preventieve zin als bij terugkeer in de wijk na verblijf in een (justitiële) jeugdinrichting’.

Uit de praktijk en de literatuur weten we dat tussen beide groepen – gezinnen met langdurige en complexe problemen enerzijds en kinderen en jongeren met ernstige problematiek anderzijds – een grote overlap bestaat. Of anders gezegd; er is een grote kans dat problematische kinderen en jongeren opgroeien in problematische gezinnen.

De verbinding tussen de projecten betekent dat we de vraagstelling vanuit meerdere invalshoeken aanvliegen. Van de gezinnen die we includeren weten we dat de kinderen het risico lopen op minder gunstige ontwikkelingsuitkomsten, bij de jongeren heeft de problematiek uiteindelijk geresulteerd in plaatsing in de (forensische) residentiele jeugdzorg.

We weten dat het vaak niet lukt om deze jongeren en gezinnen de juiste hulp en ondersteuning te bieden, omdat zij vaak ambivalent of zelfs afwijzend staan ten opzichte van hulpverlening (Goderie en Steketee, 2005; Steketee & Vanderbroucke, 2010; Boendermaker 1998, Samuels & Pryce 2008). Een op het gezin en/of de jongere afgestemde ondersteuning en een passende bejegening lijken aanknopingspunten te bieden voor motivatie voor en acceptatie van hulpverlening en daarmee een positiever resultaat van de geboden zorg (Karver et al., 2006; Kazdin, 2000; Rots-de Vries, 2011).

Dit belang van een persoons- en gezinsgerichte aanpak, waarbij de voorkeuren, behoeften en waarden van de cliënt richtinggevend zijn, wordt onderschreven door nationale en internationale richtlijnen voor de praktijk van de (geestelijke) gezondheidszorg (Crossing the Quality Chasm: A New Health System for the 21st Century, 2001; National Institute of Health and Care Excellence, 2002; Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming, 2017). Echter, de  mate waarin de ondersteuning en bejegening als passend wordt ervaren is vanzelfsprekend afhankelijk van de perceptie van de cliënt. Het is daarom opmerkelijk dat het perspectief van jongeren en gezinnen zelf maar zeer beperkt onderwerp van onderzoek is geweest (Barnhoorn et al., 2013).
In beide projecten wordt juist dit perspectief centraal gesteld; samen met de jongeren en gezinnen in kaart gebracht wat zij als helpend en belemmerend ervaren bij het vormgeven van hun leven.

De dataverzameling levert een schat aan (voornamelijk kwalitatieve) informatie op. Niet alleen over wat als passend wordt ervaren op het gebied van hulpverlening en bejegening door zorgprofessionals, maar ook over hoe maatschappelijke structuren als onderwijs, werk en vrijetijdsvoorzieningen moeten worden ingericht om de kans op maatschappelijke uitsluiting en (verdere) marginalisatie te verkleinen. Daarnaast krijgen we zicht op wat er vanuit het perspectief van de gezinnen en jongeren nodig is op deze gebieden gedurende verschillende momenten in de levensloop; als kind, jongere, jongvolwassene en als ouder en opvoeder.

Binnen het project ‘Leer mij kennen’ worden er acht jongeren zeer intensief gevolgd middels tweewekelijkse telefoongesprekken en driemaandelijkse diepte-interviews. Het eerste contact is gelegd vlak voor uitstroom uit de instelling en in het daaropvolgende jaar wordt met hen in kaart gebracht hoe zij hun leven vormgeven. De vijf gezinnen die zijn geïncludeerd voor het project ‘Gezinsaanpak preventie jeugdcriminaliteit’ worden viermaandelijks over hun ervaringen bevraagd. Dit levert een schat aan informatie op over wat de jongeren en de gezinnen als helpend en belemmerend ervaren en geeft inzicht in de uitdagingen waarmee zij geconfronteerd worden. De onderzoeksgroep is zeer divers en de data-analyse zal er ondermeer op gericht zijn de overkoepelende thema’s die naar voren komen uit de verhalen van de jongeren en gezinnen te extraheren en te duiden.

Met dit project komt de Academische Werkplaats Risicojeugd tegemoet aan de transformatiedoelen jeugdhulp, zoals opgesteld door het ministerie van VWS. Er wordt naar gestreefd eerder de juiste hulp op maat te bieden, om gespecialiseerde residentiële hulp te verminderen. Daarnaast is er meer ruimte voor de professionals door vermindering van de regeldruk. De aanpak dient toepasbaar te zijn in andere gemeenten. De AWRJ werkt landelijk waardoor de kennis uit dit project op landelijk niveau kan worden verspreid.

diagnostiek

Observatie en diagnostiek; een observatiechecklist

In de Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s) worden de jongeren die binnenkomen, gescreend op psychische problemen. Hierdoor kunnen acute problemen, zoals suïcidale gedachten, snel worden aangepakt. De bestaande screening geeft veel informatie, maar is ook eenzijdig omdat het gaat om vragenlijsten die de jongere zelf invullen. Bovendien wil of kan niet elke jongere de lijsten goed invullen. Groepsleiders zien deze jongeren dagelijks. Hun observaties werden nog niet systematisch meegenomen bij de diagnostiek van problemen van deze jongeren

De AWFZJ ontwikkelde daarom in samenwerking met de professionals uit JJI’s een aanvullende non-verbale methode voor screening en diagnostiek van psychische problemen bij forensische jongeren. Deze methode bestaat uit een observatiechecklist voor groepsleiders, met een bijbehorend trainingspakket en een digitale applicatie.

Daartoe is gestart met de inventarisatie van belangrijke factoren voor recidive. Vervolgens is gekeken welke van deze factoren te observeren zijn ‘op de groep’ en dus bruikbaar zijn voor de checklist. Aan behandelaars is gevraagd welke informatie zij in de huidige werkwijze missen om een goede diagnose te kunnen stellen. Daarna werd aan groepsleiders gevraagd of zij deze informatie op basis van hun observaties kunnen aanleveren en of dit voor hen ‘te doen’ zou zijn.

De zes overgebleven kenmerken die gescoord worden zijn: proactieve (of geplande) agressie, reactieve (of ongeplande, impulsieve) agressie, gebrek aan wederkerigheid in contact, impulsiviteit, hyperactiviteit en neerslachtigheid. Op leefgroepen in de forensische residentiële jeugdzorg vullen de groepsleiders twee keer per dag de checklist in voor elke jongere op de groep. De scores worden per jongere vastgelegd in een grafiek. De observaties worden niet alleen gebruikt voor de diagnostiek, maar ook voor de bejegening van de jongeren.

Momenteel wordt de observatiechecklist gebruikt op de twee instroomgroepen van JJI Lelystad (onderdeel van Intermetzo) en FC Teylingereind, alsook de observatiegroep van FC Teylingereind. Zodra de onderzoeksresultaten medio 2017 beschikbaar komen, wordt de observatiechecklist ook aan andere instellingen aangeboden. De JJI’s, jeugdzorgplusinstellingen en de Vlaamse tegenhanger van een JJI (Gemeenschapsinstellingen voor Bijzondere Jeugdbijstand) hebben al  belangstelling geuit. Verder zou deze checklist ook voor de residentiele jeugdzorg en bijvoorbeeld het Pieter Baan Centrum interessant kunnen zijn. Als het onderzoek wordt afgerond, worden deze mogelijkheden voor verspreiding verder geïnventariseerd. Met dit vooruitzicht is er een reeks aanbevelingen opgesteld waar geïnteresseerde instellingen rekening mee kunnen houden bij het implementeren van de observatiechecklist. Een beleidsdocument waarin FC Teylingereind het gebruik van de observatiemethode borgt is in voorbereiding.

 

Opleidingen

Alle groepsleiders die met de observatiechecklist werken, werden gedurende een tweedaagse training opgeleid. Verschillende opfristrainingen vonden sindsdien plaats. De getrainde groepsleiders of gedragswetenschappers trainen nieuwe personeelsleden (train-de-trainer-methode) en de praktijkinstellingen dragen hier sinds enige tijd zelf de verantwoordelijkheid voor. Voor het gebruik van de observatiechecklist werd een handleiding geschreven met bijhorende trainingsmateriaal (waaronder videofragmenten). De observatiemethode (handleiding, de videofragmenten en het overige trainingsmateriaal) is opgenomen in een onderwijsprogramma van de Hogeschool Leiden in het kader van de minor ‘werken in gedwongen kader’. Deze worden ook gebruikt bij gastcolleges aan de andere deelnemende hogeschool waar groepsleiders worden opgeleid (Windesheim Flevoland). Dit alles draagt bij tot het vergroten van de deskundigheid van groepsleiders.

 

Onderzoek

In het kader van onderzoek naar de checklist wordt eind 2017 een vijftal studies afgerond. Als eerste is een literatuurstudie gedaan naar mogelijkheden om op een gestructureerde manier probleemgedrag te observeren (met een goede interbeoordelaarsbetrouwbaarheid). Deze studie wordt momenteel herwerkt voor een internationaal tijdschrift. In een tweede studie wordt de ontwikkeling van de observatiechecklist en de implementatie ervan geëvalueerd en beschreven. De analyses en het bijhorende artikel zijn in vergevorderd stadium en zullen medio 2017 afgerond worden en ingediend worden voor publicatie bij een internationaal wetenschappelijk tijdschrift. Met dit doel voor ogen werd reeds begonnen aan het gebruiksklaar maken van de data die nodig is om de analyses uit te voeren. Een derde geplande studie zal ingaan op de relatie tussen gegevens verzameld via de observatiechecklist en gegevens verzameld via zelf-rapportage, een vierde geplande studie op overeenkomsten en verschillen in scores op de observatiechecklist tussen Nederlandse jongens en jongens van niet-Nederlandse herkomst. De vijfde geplande studie zal – indien mogelijk – nagaan of scores op de observatiechecklist later wangedrag binnen de instelling kunnen voorspellen.

Voor meer informatie: O.Colins@curium.nl (projectleider)

decisions-6

Thumbs Up; ondersteuning bij behandelbeslissingen, een digitale tool

Bij jongeren die vanwege delinquent gedrag in een JJI terecht komen, is vaak sprake van een variëteit aan problemen. Veelal is er sprake van psychiatrische problematiek, maar ook problemen in psychologische en contextuele zin.

Binnen de behandeling is het een uitdaging om een passend traject samen te stellen omdat er veel verschillende factoren moeten worden overzien, die elkaar ook nog eens onderling beïnvloeden. Wat zet je nu in bij welke jongere op welk moment?

De beslistool is ontwikkeld op basis van een combinatie van kwantitatief onderzoek (kenmerken doelgroep, uitkomstmaten) en kwalitatief onderzoek (ervaringen en kennis van experts en jongeren). In een Delphistudie gaven behandelaars uit alle JJI’s aan over welke aandachtsgebieden zij informatie moeten hebben om een behandeling te kunnen geven: het systeem, motivatie, persoonlijke eigenschappen, problematiek, delict, vrienden en vrije tijd, werk en wonen en ten slotte hulpverlening. Bij deze domeinen zijn vragen en aandachtspunten opgesteld.

Op basis van een clusteranalyse van risicofactoren, is een indeling gemaakt in zeven profielen van jongeren: antisociale problemen (de zogenaamde veelplegers), systeemproblemen (jongeren met opvoedingsproblemen), jongeren met problemen met geweten en empathie, jongeren met verslavingsproblemen én met gewetens- en empathieproblemen, zedenproblemen, zedenproblemen met verstandelijke beperking en tot slot jongeren die overal gemiddeld scoren. Per profiel zijn specifieke risicofactoren onderzocht.

Motivatie loopt als een rode lijn door de domeinen en profielen heen. Steeds opnieuw wordt gekeken naar wat de jongere in beweging brengt. Behandelaars onderscheiden verschillende typen motivatie: ‘niet gemotiveerd en wordt het ook niet’, ‘lijkt gemotiveerd maar is het niet’, ‘niet gemotiveerd, maar kan het wel worden’ en ‘is gemotiveerd’. Vanwege het grote belang van motivatie voor de behandeling is besloten tot het doen van een deelstudie. Het doel van deze deelstudie is het middels gestructureerde focusgoep discussies verzamelen van kennis en ervaring uit de praktijk met betrekking tot het motiveren en gemotiveerd houden van de verschillende groepen jongeren. Deze informatie kan worden gezien als ‘best practice’ en kan collega’s ondersteuning geven bij het vormgeven van nieuwe behandeltrajecten. Deze informatie zal daarom worden gebruikt tijdens de ontwikkeling van de beslisondersteuning. Het doel is om praktische en toegespitste informatie te vergaren die vervolgens weer gebruikt kan worden door behandelaars.

Tot slot is er uitvoerig literatuuronderzoek gedaan naar werkzame behandelingen voor bepaalde problemen.

In het voortraject van de ontwikkeling van de digitale tool is een papieren versie van de beslistool gemaakt. Gedragsdeskundigen uit verschillende JJI’s en een forensische ggz instelling hebben – bij wijze van proef – deze versie gebruikt als leidraad in gesprekken met een tiental jongeren. Dit liet zien dat over het algemeen zowel de jongeren als de behandelaars positief over de beslistool zijn. De tool biedt structuur en houvast en draagt bij aan duidelijkheid over werkdoelen. Of, zoals één jongere opmerkte: ‘ik snap nu waar ik op moet letten’.

Op basis van de reacties van de gedragsdeskundigen en jongeren is het papieren model aangepast en is een eerste digitale versie ontwikkeld. De pilot van deze tool start in februari 2017. Medio 2017 is de eerste versie van de tool klaar voor doorontwikkeling op langere termijn.

Publicatie: S. Hillege, L. van Domburg, E. Mulder, L. Jansen and R. Vermeiren; ‘How do Forensic Clinicians Decide? A Delphi Approach to Identify Domains Commonly Used in Forensic Juvenile Treatment Planning’ (2016).

Voor meer informatie: n.hornby@teylingereind.nl (projectleider)

 

Gezin

Gezinsgericht werken in de JJI, jeugzorgplus en residentiële jeugdzorg

Het gezin speelt een belangrijke rol in het leven van jongeren. Justitiële Jeugdinrichtingen en JeugdzorgPlus (gesloten jeugdhulp voor jongeren die niet vanwege een strafbaar feit zijn geplaatst) willen daarom ouders intensiever betrekken bij het verblijf en de behandeling van hun kind in de inrichting. Echter, bestaande gezinsbehandelingen waar de residentiele instellingen mee werkten zijn eigenlijk alleen bedoeld voor de ambulante zorg. Daarom is binnen de Academische Werkplaats Forensische Zorg voor Jeugd (AWFZJ) een programma ontwikkeld voor gezinsgericht werken binnen de residentiele jeugdhulp in een gedwongen kader.

Gezinsgericht werken is een breed programma waarbij ouders integraal onderdeel zijn van de behandeling en het verblijf waarbij alle professionals in de instelling betrokken zijn. Uitgangspunt van dit programma is om de afstand tussen de jeugdinstelling en thuis zo klein mogelijk te maken. Het streven is om te zorgen voor continuïteit van de behandeling tijdens het verblijf tot de terugkeer naar huis en waar nodig ook daarna.

Het programma ‘Gezinsgericht werken’ bestaat uit een module voor kort verblijf, een module voor lang verblijf en een module voor ouderbegeleiding. Ouders worden letterlijk binnengelaten in de instelling, tijdens bijvoorbeeld ouderavonden of gemeenschappelijke activiteiten als het samen koken door ouders en jongeren. Waar nodig wordt intensievere behandeling en begeleiding van het gezin opgestart.

Het effect van het programma is onderzocht via vragenlijsten bij jongeren, hun ouders en groepsleiders. Er is ook informatie verzameld over bezoeken van ouders aan hun kind in de instelling, incidenten waarbij de jongeren betrokken waren en uitslagen van urinecontroles. Daarnaast zijn interviews gehouden met groepsleiders, ouders en jongeren.

Met de resultaten is het aanbod beter afgestemd op de behoeften van de ouders en jongeren. Uit het onderzoek kwam bijvoorbeeld naar voren dat jongeren willen dat hun ouders gebeld worden; niet alleen als zij iets verkeerd doen, maar ook als ze iets goed doen. Bij de ouders bleek bijvoorbeeld dat zij een uitnodiging om op de groep te komen eten wel waardeerden, maar dat zij nog liever zelf wilden komen koken.

 

Praktijk

Na de pilotfase, waaraan drie groepen voor kort verblijf en twee groepen voor lang verblijf meededen, is het programma begin 2016 uitgerold naar alle vijftien leefgroepen in de twee deelnemende justitiële jeugdinrichtingen. Het gezinsgericht werken behoort daar nu tot de reguliere werkwijze. Ook een JJI die niet was aangesloten bij de werkplaats werkt er inmiddels mee. Het programma is geschikt voor brede toepassing in de andere JJI’s. Een knelpunt is echter dat door bezuinigingen niet meer in alle JJI’s een gezinstherapeut aanwezig is. Eén van de oplossingen die succesvol is verlopen, is het laten uitvoeren van de gezinstherapie door een instelling voor ambulante jeugdzorg.

In een pilotproject zijn ook in twee residentiele instellingen, waaronder één JeugdzorgPlusinstelling, medewerkers getraind in het gezinsgericht werken. In 2016 zijn hieraan twee instellingen  toegevoegd. Deze pilots zijn daarnaast gebruikt voor aanpassingen van de modules om ze breder inzetbaar te maken voor residentiële instellingen.

 

Opleidingen

De trainingen voor groepsleiders zijn ondergebracht bij Stichting Jeugdinterventies. Zij beheren de trainingen, zorgen voor verspreiding en bieden de training aan. Verder is de ontwikkelde kennis en methodiek door de Hogeschool Leiden opgenomen in de minor werken in gedwongen kader. De twee modules voor kort- en langverblijf binnen JJI zijn voor de Jeugdzorgplus samengevoegd tot één module. Deze module is ook toepasbaar voor andere residentiële instellingen.

Vanwege internationale belangstelling wordt het programma momenteel in het Engels vertaald.

 

Onderzoek

In 2015 zijn kennis en producten op het gebied van cliënt- en omgevingsgericht werken die zijn ontwikkeld door verschillende academische werkplaatsen, gebundeld. Ook de methode gezinsgericht werken wordt daarin meegenomen.

Voor onderzoek in residentiele jeugdzorg is de samenwerking aangegaan met het ExtrAct consortium voor het ‘indikken gedragsinterventies externaliserende problematiek’. De Academische Werkplaats ontwikkelt verder een beginmeting voor (nieuwe) deelnemende instellingen. Met deze meting kan worden bepaald wat er nodig is aan training, zodat het trainingspakket op maat kan worden aangeboden. De verzamelde gegevens kunnen daarnaast worden gebruikt in het onderzoek naar de invloed van gezinsgericht werken.

Op langere termijn zou de werkplaats in kaart willen brengen wat het effect van gezinsgericht werken is op de effectiviteit van de totale behandeling.

 

Beleid

De methodiek is landelijk beschikbaar gesteld en als ‘goed voorbeeld’ opgenomen door het ministerie van Veiligheid en Justitie in haar visie op zorg voor de jongeren die ze onder haar hoede heeft. Daarnaast worden de projectresultaten ook gebruikt in de nieuwe AWTJ Risicojeugd, in het kader van het project bejegening. In het kader van dit project worden wijkteams getraind in het omgaan met risicojeugd en hun gezin. Gezinsgericht werken leent zich hier heel goed voor.

Meetlint

ROM JJI; Routine Outcome Monitoring in de justitiële jeugdinrichting

In opdracht van het Ministerie van Veiligheid & Justitie heeft de AWFZJ een methodiek voor Routine Outcome Monitoring (ROM) voor de JJI’s ontwikkeld. Vanaf de start zijn alle gebruikers (jongeren, gedragsdeskundigen en het management van de JJI’s) betrokken geweest bij de ontwikkeling.

Het ROM project heeft het volgende opgeleverd:

  • Een methodiek om gestructureerd en systematisch na te gaan hoe het de jongeren in JJI’s vergaat. De meetinstrumenten zijn afgestemd op de problematiek van de doelgroep en geven inzicht in eventuele veranderingen in het functioneren. Met de meetmomenten wordt aangesloten bij het primaire proces in de JJI.
  • Een gebruiksvriendelijke ICT applicatie (ProMISe) geschikt voor zowel het afnemen van de instrumenten en het generen van rapporten als de opslag van de gegevens.
  • Een implementatiehandleiding met praktische handvatten over o.a. de workflow, de privacy, de personele inzet en de benutting van de ROM gegevens.
  • Het beheer van de gegevens is ondergebracht bij een door de JJI’s aangestelde datamanager. Deze datamanager ook de helpdesk voor de medewerkers in de JJI’s als het gaat om werken met ProMISe.
  • Alle relevante JJI medewerkers zijn getraind in het gebruik van ProMISe en het scoren van de instrumenten.
  • Per gebruikersgroep zijn handleidingen voor het gebruik van ProMISe ontwikkeld.
  • Een voorlichtingsfilmpje voor de jongeren over het gebruik van de data.
  • Een document waarin de AWFZJ adviseert over een duurzame implementatie en het beheer van ROM- JJI.

De ROM methodiek wordt sinds november 2015 in alle JJI’s toegepast.

 

Aanvullend project: toolkit klinische bruikbaarheid

Voor een succesvolle toepassing van ROM moet aan een aantal voorwaarden voldaan worden. Er moet bijvoorbeeld voor gezorgd worden dat de randvoorwaarden (tijd, geld, materiaal, ondersteuning en expertise) in orde zijn. Daarnaast is het van belang dat de gebruikte instrumenten van goede kwaliteit zijn. Echter, het succes van ROM is in de eerste plaats afhankelijk van in hoeverre de behandelaar en cliënt bereid zijn om de vragenlijsten in te vullen en dit hangt sterk af van of ze de resultaten van de metingen kunnen gebruiken in de behandeling.

In de praktijk blijkt de toepassing van ROM vaak moeizaam te verlopen en veel vragen op te roepen. Hoe bespreek je als behandelaar de ROM resultaten met je cliënt en het systeem? Hoe verhouden de ROM resultaten zich met de andere informatie die je hebt? Hoe rapporteer je over de resultaten? Wat kan een cliënt ermee?

Om behandelaars en cliënten bij deze en andere vragen rond de klinische bruikbaarheid van ROM te ondersteunen, hebben de Academische Werkplaatsen Forensische Zorg voor Jeugd, C4Youth en Inside Out een toolkit samengesteld. Deze toolkit bevat praktische producten die grotendeels in de praktijk zijn ontwikkeld, geïmplementeerd en geëvalueerd. Deze producten beslaan alle onderdelen van het ROM proces, van voorlichting en training van de professional tot de evaluatie van de methodiek. De ROM toolkit is ondergebracht bij het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie.